Schrijvers om de Noord

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Anton Korteweg
olieverfschilderij door Trudy Kramer

Anton Korteweg

Voorwoord

Er gaat niets boven Groningen. Maar boven Groningen ligt Schiermonnikoog. Dat gaat dus boven het hoogste.
  Vreemd. Want Schier – hoeveel moet je van iemand houden voordat je haar zo drastisch mag afkorten? – is een eiland. En ieder die op een eiland woont dat niet Australië is of kleiner is dan ons vijfde werelddeel, behoort de onbedwingbare neiging te hebben zijn heil zodra hij de kans krijgt op het vasteland te zoeken. Daar is het te doen. En zo leuk is het niet om je, waarheen je je ook keert of wendt, steeds door de zee omgeven te weten, zoals in psalm 139 de mens door God. Je gaat je voelen als de gekooide panter uit het gelijknamige gedicht van Rilke, van wie de blik als gevolg van het voortdurend ijsberen langs de stangen zo moe wordt dat hij niets meer waarneemt. Dat Schiermonnikoogers toch blijven zitten waar ze zitten, komt, vermoed ik, omdat op hun eiland alleen maar autochtone auto’s mogen rijden. Ze zijn er zich daar van bewust dat een auto meer kapot maakt dan je lief is. En waarom zou je anderen dan eigen volk daartoe in de gelegenheid stellen?
  Er moeten natuurlijk nog andere redenen zijn die het leven op Schier zo aangenaam maken dat de bewoners de in eindeloze deining voortklotsende zee voor lief nemen en hun eiland trouw blijven, maar ik zou zo gauw niet weten welke. Het zal in elk geval niet zo zijn dat de tweejaarlijkse overtocht van een stelletje schrijvers, uitgerekend in februari als de natuur zijn dieptepunt heeft bereikt, hun gekooid bestaan zodanig opvrolijkt dat ze niet weg willen. Die dichters, want dat zijn het vooral, hebben het twee grauwe dagen lang alleen maar over het verstrijken van tijd en wat dat met ons doet, over problemen die er wel en niet zijn, over hoop die als belangrijkste eigenschap het vervliegen heeft, over ontoereikendheid en onbereikbaarheid van alles, en nog zo wat van die dingen waar je geen eilander voor hoeft te zijn om als je er bij stilmoet staan depressief van te worden.
  De dichters zelf vinden het allemaal wel best. Zij mogen straks weer weg. Ze logeren met een beetje geluk in de knusse huiskamer van de Wadden, hotel Van der Werff dus, praten weer eens even bij – wat, als je het niet te vaak doet, plezierig is –, genieten van de ontspannen organisatie en de hartelijkheid van de bewerkstelligers van hun winterreis, Trudy Kramer, Ger Siks en hond Homerus, en krijgen na hun optredens simpele vragen na en applaus toe. En, niet het minst plezierig, hun verblijf wordt ook nog eens veraangenaamd door ‘een onbekrompen schenken’ (Gerard Kornelis van het Reve, Een lezing op het land) dat al hun gelees uit eigen werk voor een welwillend maar goeddeels ‘menopauzerend volksdeel’ (Kees van Kooten,meen ik) voortdurend begeleidt, in die mate zelfs dat er meer gedronken wordt dan strikt noodzakelijk is.
  Eigenlijk is het allemaal goed geregeld, daar in de Waddenzee. Texel heeft Jan Wolkers, Terschelling had Cor Bruijn met zijn Sil de Strandjutter, Vlieland wordt onveilig gemaakt door de langzaam krom groeiende Theo Sontrop, op Ameland is bijna een eeuw geleden de contemplatief-socialistische dichteres Nine van der Schaaf schooljuffrouw geweest en op Rottumerplaat wisselden Jan Wolkers en Godfried Bomans elkaar af.
  En Schiermonnikoog heeft Schrijvers om de Noord.

volgende