Schrijvers om de Noord

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Aafke Steenhuis
olieverfschilderij door Trudy Kramer

Aafke Steenhuis

Wandeling over de Oude Zeedijk

De dikwollige schapen op stokpoten op de Oude Zeedijk bij Zoutkamp staren me ademloos aan. Opeens komen ze in beweging, de ruggen golven over de dijk, weg zijn ze. Mijn voeten volgen de aangestampte schapenpaadjes. Waarom hou ik toch zo van dijken?
  Een dijk is een grens, een overgang tussen water en land, buiten en binnen, dreiging en veiligheid, hemel en aarde. Hier op de dijk ben ik groot en klein tegelijk: ik overzie de korenvelden en aardappelakkers, de kerkjes, de driekapsboerderijen. Maar tegelijk ben ik een stipje onder de wijde hemel, opgenomen in de ruimte.

Een dijk is hoop. Een daad van verzet, van volhouden. Een dijk is geen oeroud natuurverschijnsel zoals een rivier of een berg of een woud, plekken waaraan zich sinds de oudste tijden mythen en sprookjes hebben vastgehecht. Een dijk is niet door goden, maar door mensen gemaakt. Maar toch. Zo'n groene, koppige, beschermende dijk is voor mij ook een mythische plek. Hij staat voor de mythe van de moderne mens die sinds de Middeleeuwen het lot in eigen handen probeerde te nemen, die de natuur wilde onderwerpen, die de aarde en de wateren met steeds nieuwe technologische middelen gebruikte en uitputte en die meende dat hij rationeel was en de wereld onder controle had. Maar nee: geregeld in de geschiedenis waren er hevige regenbuien en orkanen, staken er stormvloeden op, stegen rivieren angstaanjagend in hun beddingen. Meestal hielden de dijken het, soms braken ze - en daarna werden ze met taaie volharding opnieuw opgebouwd.

Over een oud kerkepad door het land, langs de wierden Beusum en Midhalm kom ik in Vierhuizen. Klein dorpje aan de oude zeedijk, met een molen en een grauw kerkje op een wierde tussen kastanjes en esdoorns. In de pastorie naast de kerk woonde vroeger Dominees Lientje, ofwel de schrijfster Eilina Huizenga-Onnekes (1883-1956).
  Dominees Lientje trouwde met boer Huizenga in Ten Boer, en begon verhalen, sprookjes en legenden op het Groningse platteland te verzamelen. Haar bekendste bundel is 'Het boek van Trijntje Soldaats' uit 1927. Hierin zijn sprookjes bijeengebracht die in 1804 door de analfabete kindermeid en naaister Trijntje Soldaats, die met een Duitse soldaat getrouwd was geweest, verteld zijn aan twee kinderen. Het ene jongetje, Gerrit Arends, was nog maar elf jaar oud toen hij de verhalen van Trijntje Soldaats in een schrift opschreef. Heel bijzonder dat zo'n jonge jongen, jaren voor de gebroeders Grimm, volksverhalen uit de mond van een dierbare vertelster optekende. Gerrit Arends werd later boer en burgemeester; zijn nakomelingen, Johannes Onnekes en Lientje Onnekes, hebben het volgekrabbelde schriftje geŰrfd. Lientje heeft het manuscript in 1928 uitgegeven, het boek is prachtig ge´llustreerd met houtsneden van Ploegschilder Johan Dijkstra en gedrukt door Hendrik Nicolaas Werkman.
  Spannende verhalen zijn het, in het Nederlands opgeschreven maar vol groningismen en spelfouten: 'Daar was eenmaal een oude schuitschipper en die ging met zijn schuit over zee en doe hij in de zee was kwam daar een dikke baar aan en die baar sloeg zijn schip in stukken en hij kwam op een stuk van zijn schip te drijven en toen kwam er nog een dikke baar aan en die sloeg hem aan het strant doe reikte hij met de hand naar de paalen en klom er uit toen vloog daar een meeuw om hem heen en hij greep hem in de hand en hij stak hem in de buis en hij werd zo nat...'

De Waddendijken zijn recht en streng. 'Doar broest de zee, doar hoelt de wind, doar roast laangs diek en wad, moar rustloos waarkt en woult het volk, het volk van Ommelaand.'
  Er waait een stevige noordoosten wind. Hier, op de Oude Zeedijk bij Vierhuizen moet ik me schrap zetten, alle zeilen bijzetten om tegen die harde wind in te tornen. Hier is het landschap onafzienbaar. Eindeloze stoppelvelden, geploegde akkers, velden met suikerbieten en de laatste aardappels. En akkers vol bloemige spruiten. In de verte een rode tractor die over het land kruipt. Een enorme hemel met donkere jagende wolken erboven.
  Deze ruimte is het begin van alles, de bron van mijn bestaan, mijn innerlijk landschap. Hier valt veel aangeleerd gedrag weg. De wereld van mijn jeugd op het Groningse land zit nog steeds in me: ingehoudenheid, nadenkendheid, verbondenheid met de natuur. Ook m'n neiging om m'n verhalen te doorspekken met dichtregels en liedjes, is denk ik Gronings. Omdat zoveel stemmingen en gevoelens niet te verwoorden zijn, uit ik me met een bestaand 'taimke', een versje. Ik kijk naar een wilde wolk in de lucht.

  Gries, graauw, bont, blaauw
  bles peerd,
  het gain kop, gain pokkel
  en gain steert.

vorige
volgende