Schrijvers om de Noord

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
C.O. Jellema
olieverfschilderij door Trudy Kramer

C.O. Jellema

Voorwoord

Op woensdagmorgen 14 februari 2001 lag Schiermonnikoog omsloten door een dichte mist. Omdat het de avond tevoren, de openingsavond van het festival Schrijvers om de Noord nogal laat was geworden aan de bar, maakte ik om het hoofd weer helder te krijgen een lange wandeling over het strand. De mist drong zo dicht om me heen dat de branding links alleen was te horen en van de duinenrij rechts slechts zichtbaar een donkere gedaante naast me, een volgend duin dook pas op als ik het was genaderd.
  Na enige tijd week de branding blijkbaar zo ver terug dat ik me niet meer aan het geluid ervan kon oriŽnteren. In een grijze stilte was mijn lichaam nu het enige bewegende voorwerp en toen ik me dat bewust werd, kon ik aan iets anders niet meer denken: ik was nog enkel verplaatsing. Even later moest ik een opkomende angst onderdrukken. Niet de vrees te verdwalen - achter de duinen zou wel weer een pad te vinden zijn met richting wijzende paddenstoelen.
  Wat in de natuur groots is en niet tegelijk iets lieflijk-toegankelijks heeft beangstigt me: bergtoppen boven de boomgrens, een niet door de zon beschenen zee. Hier was het de immense stilte, waren het, in die tot haar ontstaansfase van dampige onderscheidloosheid teruggekeerde wereld, de daaruit opdoemende, dreigende, want in de mist zoveel hogere lijkende, zwijgende vormen van duin. Dat ik erin verloren zou gaan als mijn lichaam zich zo bleef verplaatsen, zolang die doelloze verplaatsing bezit van me nam, die - en dat besef overviel me - mijn hele tot hier afgelegde weg in retrograde uitstippelde: een leven resulterend in niets dan deze gang. - Het strand ontvluchtend vond ik pad en paddenstoel. Terug in de hotellounge van collega's de vraag: waar ben je geweest. Op het strand. Mooi zeker, zo in de mist. Prachtig.
  Nu twee jaar later Noorderbreedte weer een literatuurfestival op Schiermonnikoog organiseert, schrijvers en dichters uit de drie noordelijke provincies elkaar zullen ontmoeten, met dat speciale gevoel van onder elkaar zijn dat misschien alleen op een eiland zo mogelijk is, en nu er weer een bundel wordt samengesteld waarin zij allen zijn vertegenwoordigd, zou een gedicht over die strandwandeling een passende bijdrage zijn geweest. Ik heb het niet gekund. Maar de in dit voorwoord opgeschreven herinnering daaraan moge een exempel vormen van ervaringskansen die de Stichting Noorderbreedte aan dichters en schrijvers biedt door hen bijeen te brengen op het eiland, nu voor de tweede maal. En voor de tweede maal zal van zo'n bijeenkomst een gemeenschappelijke bundel de blijvende getuige zijn.

C.O. Jellema, januari 2003

volgende