Schrijvers om de Noord

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Ester Naomi Perquin

Een eiland af

Ik was zeven toen we op het eiland gingen wonen en ik was bang voor de zee. Dat wil zeggen: voor de zee in het donker. Overdag kon de zee wel tekeer gaan maar dat kon me niets schelen want ik had zes broers, waarvan één met verrekijker. David was de oudste, daarna kwamen de tweelingen, Hannes met Jochem en Wim met Sjaak. Na Maarten kwam ik. Mijn moeder had ons, zoals ze zei, 'in vijf worpen gelegd' en misschien hoorden wij daarom meer bij elkaar dan bij de kinderen in het dorp, die op het eiland geboren waren en op zondag zwarte kleren droegen.

Het huis waar we woonden stond vlak bij de dijk met het strandje. Alles was van ons. we klommen in de bomen langs de modderige weg en deden wie het verst kon spugen. We rolden omstebeurt de dijk af en liepen duizelig van het draaien over het zand. We bouwden kastelen met slotgrachten die volliepen bij vloed. Zo nu en dan kwam er een storm opzetten en lagen er 's ochtends kraakwitte dierenschedels tussen de stormbrekers. Meestal waren het konijnen. We maakten ze aan stokken vast en stelden ze in rijen op. Met lege kassen staarden ze passerende schepen na. 'Heerlijk,' zei mijn moeder.
'Een eiland gaat nooit voorbij.'

Ik werd pas bang als de zon onder ging. als we eenmaal gegeten hadden en stripboeken lazen en slaperig werden. Ik dacht na over het eiland en hoe het, los van alles, in het water lag. Op de kaart die ik in mijn hoofd uitrolde was verder geen land te zien, alleen een diep, oneindig blauw. De zee, nam ik aan, zou in het donker wel eens andere dingen kunnen doen dan in het licht. Wanneer ik vanuit mijn hoge bed tussen de gordijnen door over de weilanden keek hoorde ik in de verte het ruisen van de zee. Het hoge gras achter ons huis bewoog op een manier die aan golvend water deed denken. Misschien kwam het omdat ik het enige meisje was. Misschien lette ik op andere dingen. Hoe dan ook waren er tekens van naderend gevaar. Onze waakhond, die op het erf aan de ketting lag, sliep bijvoorbeeld met zijn voorpoten over zijn ogen. Zelfs meeuwen vlogen over alsof zij ergens voor vluchtten.

David kreeg dat jaar De Ramp op school. Hij had een boek dat Toen het water kwam heette en daarin stond een zwart-witfoto van twee vrouwen die slap als wasgoed over een boomtak hingen. 'Die zijn door het raam naar buiten gespoeld,' zei hij. We keken allemaal naar die foto. 'Die konden zeker niet goed zwemmen' zie Maarten, die net zijn derde diploma had gehaald. David schudde zijn hoofd. 'Veel mensen lagen gewoon te slapen toen het gebeurde,' zei hij. 'Toen ze wakker werden, waren ze dood.'

Voor mijn achtste verjaardag vroeg ik een drijfwaardig matras. Mijn moeder lachte. 'Ach,' zei ze, 'dit eiland bestaat al zo lang.' Alsof dat een voordeel was. In die periode begonnen de dromen. Het blauw van de landkaart in mijn hoofd werd donkerder. Het eiland kromp. Er stak een stormwind op die tegen de ramen tikte, aan de goten rammelde. Steeds vaker bleef ik wakker, schudde mijn broers uit hun slaap, stommelde door het huis. Als ik tenslotte toch in slaap viel zag ik drijvende koeien of verdronk in water dat zo dik was als pudding. Ik kon zo hoog gillen dat de hond aansloeg.

Mijn moeder begon ermee. Niet om toe te geven ('want het is natuurlijk een belachelijk idee') maar gewoon, zei ze. Omdat ze heel erg moe was. Ze zeulde een rubberboot en een pak rijst naar zolder. Kort daarop tekende David een duikboot voor me. Hannes en Jochem schreven een paar dagen later Het Groot Schriftelijk Noodplan, waaraan rozijntjes waren vastgeniet en dat ik onder mijn kussen kon leggen. Op de eerste pagina stond onder andere: 'Als de dijk breekt heeft het water veel werk verricht, daarom is het water Heel Moe (genaamd Watermoeheid). Dit is de juiste tijd om bijvoorbeeld boterhammen te maken (en op het dak te klimmen) die men op zal moeten eten voor de Redding komt. Anders is dit Verspilling en ook niet eerlijk omdat Andere Mensen dood gaan.'

Mijn dromen veranderden. Steeds vaker doken reddingboten op of was er in de verte land te zien. Soms waren er cowboys met lange touwen. Als ik wakker werd luisterde ik naar de geluiden van het huis. Het tikken van de grote klok beneden, het kraken van hout, het smakken of zuchten van mijn slapende broers. Eind mei, niet lang voor de grote vakantie, bouwden Wim en Sjaak een vlot. Ze knoopten het met een lang touw aan de appelboom, zodat het bij een overstroming vlak naast mijn slaapkamerraam omhoog zou drijven.

Ik weet niet precies wanneer het eiland voorbijging - maar het gebeurde niet lang na mijn verjaardag. Vanwege zijn scheve voortanden moest Maarten elke maand naar het vasteland. Mijn moeder werd verliefd op de man die in de mond van mijn broer met een tang aan ijzerdraadjes trok. 's Avonds zat ze voor zich uit te staren op de dijk. Ze keek niet naar het water maar naar de kust die je niet kon zien, naar de stad en naar de beugelman. Op een avond roffelde mijn moeder met haar handen op de eetkamertafel. We legden ons bestek neer. 'Jongens,' zei ze, alsof ze een verrassing had, 'het is zover. We gaan van het eiland af.'

Het huis werd verkocht. We pakten onze spullen in. Er kwam een wagen voor de boekenkasten, de schommelstoel en de piano. We haalden het vlot van de appelboom en lieten de rubberboot op zolder leeglopen. Er kwam een zware, bedorven lucht uit. De rijst ging de vuilniszak in. Het huis galmde terwijl we erin rondliepen. Het klonk alsof het al niet meer van ons was. David zette in iedere lege kamer zijn handtekening op de plint. Hannes schreef met een rode viltstift op één van de muren 'De beugelman is gek'.

Onze konijnenschedels haalden we van de stokken af en begroeven we vlak voor vertrek in de achtertuin. We stonden met zijn allen rond de kuil, terwijl mijn moeder in de auto op ons wachtte. Ik zong een liedje dat ik op school had geleerd: van dees aard u zij de schepper, van dees aard zij u de heer. David's tekening van de duikboot ben ik kwijtgeraakt. Maar Het Groot Schriftelijk Noodplan bewaar ik in het nachtkastje.
Voor alle zekerheid.

vorige
volgende