Schrijvers om de Noord

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Jan Veenstra
olieverfschilderij door Trudy Kramer

Jan Veenstra

De vuurtorenwachter van Schier

Natuurlijk was hij gek. Dat wist elk kind. Enke was zijn hele leven nooit verder dan twee uur lopen buiten ons Drentse dorp geweest. Toch voelde geen mens de behoefte hem tegen te spreken als hij weer eens geestdriftig verhaalde van zijn avonturen als vuurtorenwachter op Schiermonnikoog. En net zo min maakte iemand zich druk om de stormlantaarn die hij iedere nacht als een veilig baken brandende hield op de plecht van zijn gammele woonboot in de bocht van het kanaal, even buiten het dorp. Pas toen wij hem die morgen in mei dood aantroffen, dobberend op de buik naast het half uitgebrande wrak, werd Enke een bijzonder mens. Maar uiteindelijk wezen de feiten niet op iets anders dan een ongeluk waarna de praatjes langzaam maar zeker weer verstomden.
  Mijn twaalfde verjaardag. Wij zaten nog aan het ontbijt. Naast mijn bord stonden de nieuwe voetbalschoenen. Bruin Terwolde, mijn kameraad, kwam binnenstuiven, smeet het pakje, waarvan ik al wist dat er een vierkleuren balpen in zat, op tafel en riep: 'Kom op, een dooie in het Omkanaal.' Dat is vandaag precies zevenendertig jaar geleden. Ik ben naar het dorp gereden om er Zwaving over te spreken. In een opwelling.
  In het caf weten ze dat hij in De Kimme zit. De directrice brengt mij zelf naar de kamer van de gepensioneerde dorpsveldwachter. Dat ik er niet teveel van moet verwachten, zegt ze op de gang. Niet dat hem iets mankeert, maar na de dood van zijn vrouw is hij zwijgzaam geworden. Hij krijgt ook nooit bezoek, voegt ze er aan toe.
  Zwaving kijkt verwonderd, maar ook aandachtig op als ik mij voorstel. 'Jij kon aardig voetballen.'
  Ik schiet in de lach. 'Zolang onze bal niet in beslag was genomen.'
  Hij gaat er niet op in. Wijst mij een stoel. Een kleine sobere kamer met een bed in een nis. Een uitgevouwen krant op de bonte sprei. Een rekje wasgoed voor de kachel. Een portret van zijn Geertje op de schoorsteenmantel. Een tegeltje aan de muur met 'Groeten uit mooi Valkenburg'. En een dooie kanarie.
  Zwaving ziet mij kijken. 'Hij is mij verkocht als zanger', zegt hij mat, 'maar zingen ho maar. Gisteravond was ik het ineens zat en heb ik hem de huid vol gescholden. Blijkbaar kunnen ze daar niet tegen. Vanmorgen lag hij daar.'
  De namiddagzon valt door het bovenraam precies in het kooitje op het theemeubel. Op het zachtblauwe zand ligt een oudgouden lijkje met gestrekte pootjes onder het stokje. Alsof het dier daar na afweging van alle voors en tegens met vrede in het hart toe heeft besloten.
  'Je mag hier alleen kanaries', mompelt Zwaving. 'Ik heb deze genomen toen Geertje drie maanden uit de tijd was. Een beetje aanspraak! Verder geef ik niet veel om dieren.' Hij kijkt even naar het theemeubel. 'Dieren ook niet om mij, geloof ik. Ik moest maar wat meer gaan wandelen.'
  'U fietst niet meer, Zwaving?' In mijn herinnering is hij n met zijn fiets. De fiets die Bruin Terwolde en ik ooit met vissnoer aan een lantaarnpaal vastbonden. Zo'n vijf meter speling moest hij wel hebben voor het effect, dacht Bruin. Achter een heg hadden wij onze wraak op de ingepikte voetbal afgewacht, maar Zwaving was opgestapt en weggefietst zonder iets te merken. Niet eens een lichte schok. Ik schold Bruin de huid vol, want die had bij hoog en bij laag beweerd dat het vissnoer onbreekbaar was. Nijdig hobbelde hij weg op zijn orthopedische linkerschoen. Bruin had kinderverlamming gehad.
  Zwaving haalt de schouders op. 'Veertig jaar heb ik gefietst. Dat was werk. Daarna hadden Geertje en ik nog een jaar een auto. Een keer op vakantie. Dat wou ze graag. Maar waar moet je verder naar toe? Toen ze in bed kwam was het helemaal over.'
  Hij is niet veel veranderd. Meer vel om het gezicht. Nog iets beniger van lijf en leden. Tussen duim en wijsvinger trekt hij de vouw in zijn broek strak. Zwijgend kijkt hij een tijdje naar zijn handen. Dan komt zijn hoofd ineens rechtop. 'Jij hebt nog eens met de lat gehad van mij.'
  Verdomd. Er waren rellen in een naburig dorp. Een paar vrije boeren weigerden de heffing van het landbouwschap te betalen. Het kwam tot een huisuitzetting. Veel volk op de been. Bruin, ik en nog een paar jongens jakkerden er meteen na schooltijd heen en stonden vooraan bij de charges van de politie. Ze gebruikten traangas. De kunst was om met een zakdoek voor je mond de traangasgranaat op te pakken en terug te gooien naar de politie. Bruin loeide als een veldheer. 'Daar komt er n.' Ik was er niet snel genoeg bij. Toen ik mij net had gebukt, doemde Zwaving op met de wapenstok, die hij vol liet neerkomen op mijn zitvlak. Ik gilde van pijn en verloor struikelend mijn zakdoek. Zwaving sjorde mij overeind en zei alleen: 'Weg hier.'
  Stram liep ik huiswaarts. De fiets aan de hand. Bruin kwam naast mij. Hij zat met zijn tengere lijf op de bagagedrager van zijn fiets en stepte mee met zijn goede voet. Ik was door de politie in elkaar geslagen en dat was wat, volgens Bruin die straalde van plaatsvervangend heldendom. Maar Zwaving had mij herkend, knarsetandde ik. Blinder-nog-aan-toe, beaamde Bruin ernstig.
  De veldwachter is er echter tot vandaag nooit op teruggekomen.
  'Ik had drie dagen last met zitten', zeg ik.
  Zwaving snuift krachtig. 'Je kreeg wat je verdiende. Zo moet dat...' Dan trekt hij zijn nek tussen de schouders en kijkt met starre ogen naar het kooitje op het theemeubel.
  'Herinnert u zich Enke nog, Zwaving?'
  Zijn wenkbrauwen schieten omhoog. Dan zuigt hij zijn onderlip naar binnen en knikt bijna onmerkbaar.
  Ik kijk hem strak aan. 'Zijn dood. Is daar ooit nog iets van boven water gekomen? Van de oorzaak?'
  Zwavings blik dwaalt via de schoorsteenmantel naar zijn knien. Hij peutert aan de manchet van zijn overhemd en mompelt: 'Niets wees op iets anders dan een ongeluk.'
  'Er waren praatjes', zeg ik. 'Enke zou iets gezien hebben.'
  Traag beweegt zijn bovenlijf heen en weer. 'Wat zou hij gezien moeten hebben? ' Het klinkt niet als een vraag, maar eerder als weerzin tegen het antwoord.
  'Dat vraag ik u. Thuis mochten wij het er niet over hebben. Va wilde er niets van weten. Moe haalde de schouders op.' Ik zeg het scherper dan ik wil.
  Zwaving gaat verzitten en knikt mat. 'Verstandige mensen. De boel is zomaar ontwricht.'
  Onwillekeurig schiet ik rechtop. 'Dat kon het dorp niet hebben.'
  Hij veegt met zijn hand over de armleuning. 'Dat kon het niet aan.' Dan kijkt hij op. 'Wil je mij helpen?'
  'De zaak reconstrueren?'
  'De kanarie begraven. Ik stel het al de hele dag uit.' Hij staat op en haalt een witte zakdoek uit de kast. Dan opent hij het kooitje, schuift zijn hand onder het lijkje en vleit het voorzichtig in de zakdoek. 'Wil jij hem dragen?'
  Met de hele klas waren wij bij de begrafenis van Enke geweest. Als plaatsvervangende familie, zo had de meester het verklaard. En wij hadden gezongen. 'Gelijk het gras is ons kortstondig leven.' Daarna had broeder Vlietstra gesproken, omdat de dominee zichzelf te veel eer vond voor een heiden als Enke. Broeder Vlietstra had wel een groot hart. Maar niet de gave van het woord. Hij raakte dan ook verstrikt in de woorden, zinnen en bijzinnen van de Tale Kanans die hij voor de gelegenheid gepast achtte: 'Broeders en zusters, moge dit arme schaap, dat ons ontviel en niet direct een der onzen was, maar toch een schaap en wat voor een schaap, dat kunnen wij beamen bij de Heer alwaar hij voor zijn rechterstoel verschijnt en wij zullen zeggen, Heer het was een bovenste beste en gun hem een plaatsje, dat wij daarvoor danken en bidden en hem aanbevelen, zoals wij een iegelijk aanbevelen als nooddruftige ziel en sloeber, maar wel rechtschapen en daarom toch in Uw Handen. En de collecte is voor de eierkoeken en de koffie. Amen.' De meeste mannen waren na de begrafenis meteen doorgegaan naar het caf. Die avond was het dorp straalbezopen geworden.
  Wij begraven de kanarie in het park naast De Kimme. Zwaving zakt door de knien bij een bloemperk. Met zijn wandelstok wrikt hij kalm en zorgvuldig een gat in de grond. Hij neemt het lijkje van mij over, laat het voorzichtig uit de zakdoek in het gat glijden en schuift er een beetje aarde achteraan. Dan graaft hij een viooltje uit het perk en plant het op het graf. Hij komt overeind, vouwt de zakdoek op en steekt deze weg. 'Als ik het allemaal over moest doen, zou ik ook wel vuurtorenwachter op Schiermonnikoog willen zijn', zegt hij als wij teruglopen naar De Kimme.
  'Een echte, bedoelt u?'
  Zwaving staat even stil. 'Wat maakt het uit?' Dan wijst hij naar een perk vol dorre Afrikaantjes. 'Hier begraaf ik de volgende als het weer geen zanger is.'
  'U wilde toch geen nieuwe kanarie?'
  Hij richt zich op. 'Er zijn maar weinig dingen waarover het laatste woord is gezegd.' Even maakt hij een gebaar alsof hij aan de pet wil tikken. Dan knikt hij en loopt kaarsrecht naar de hoofdingang van De Kimme.

(Fragment uit een roman in wording)

vorige
volgende