Schrijvers om de Noord

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Jan Veenstra
olieverfschilderij door Trudy Kramer

Jan Veenstra

Het woord en de beer

Samen met een dichter van hermetische poëzie, schuifel ik over de witberijpte loopplank de boot op. Het mooiste van Schier is de boot.
De boot er heen. Of de boot terug. Ze zijn mij even lief. De heenboot geladen met verwachting. De terugboot met melancholie. Twee gemoedstoestanden die mij passen als een ingelopen spijkerbroek.
  Soms is het andersom. Zoals vele jaren geleden, toen ik in Lauwersoog scheep ging met een zwaar belast gemoed. Dat kwam omdat ik destijds nog in het wufte Groningen woonde en een vriendin had die mij opdroeg nu niet langer te zaniken en gezwind het nodigste in de rugzak te stoppen voor een lekker lang weekend naaktstrand op Schiermonnikoog.
  De boot was de haven nog niet uit of de vrees sloeg mij al in volle omvang op de maag. Geen koffie, geen gevulde koek. Want de zon stond strak aan de hemel en dan hoef je geen ervaren naaktloper te zijn om te voorspellen dat je billen verbranden als je de hele dag op je buik ligt. En dat zou wentelen betekenen! In toerloze afwisseling: verbergen - vertonen, verbergen - vertonen. Terwijl het mijn heiligste overtuiging is dat sommige dingen een mysterie horen te blijven.
  Maar als ik niet wentelde moest ik regelmatig blussen. Blussen in de branding.
  En dat bood geen enkele troost, want ik herinnerde mij van eerdere bezoeken aan Schier dat onbarmhartig brede zandstrand. Gerekend vanaf de veilige kuil bij de duinen bijna tien minuten gaans naar zee. Een apocalyptische wandeling langs grijnzende koppen, gezichten vol meewarigheid, lijven van genitale perfectie. Brandend zand berooft je bijna van 't verstand. En dat alles kwam door haar.
  En daarom ging ik destijds niet van boord op Schier. Ik nestelde mij hardnekkig in een hoekje en voer meteen weer terug naar de vaste wal. Zonder verkering.
  Zoals gezegd, het mooiste van Schier is de boot. Op de keper beschouwd is het eiland zelf alleen nodig als pleisterplaats. Een aangename stationsrestauratie waar je tijd genoeg hebt om je verwachting langzaam te voelen verglijden in melancholie. Er hoeft niet persé iets te gebeuren. Eigenlijk is het voldoende om gelijke tred te houden met de tijd.
  Maar deze keer staat er natuurlijk wel wat te gebeuren. Schrijvers om de Noord!
  Diep in de buik van het schip zwelt het grommen aan. Aan een voorbijkomende dukdalf zie ik dat we onderweg zijn naar het eiland.
  De dichter knikt minzaam als een meisje met een slordige paardenstaart vragend naar een lege plaats aan ons tafeltje wijst. Ze doet haar rugzakje af. Als ze gaat zitten, vraagt ze: 'Lekker uitwaaien op het eiland?'
  'Welnee juffrouw,' zegt de dichter, 'wij varen naar Schier om het woord te voeren.'
  Het meisje schiet in de lach. 'O ja? Heeft het woord honger, dan?'
  Met open mond staart de dichter haar aan. Zo diep heeft hij er kennelijk nog nooit over nagedacht. Wat kribbig gebaart hij naar mij.
  Maar voor ik iets kan zeggen gaat het meisje verder: 'Mijn vader maakte zich vroeger op Schier altijd de hele dag zorgen of we de boot terug wel zouden halen. En als het weer was gelukt, jubelde hij tegen iedereen: Wij varen naar huis om de varkens te voeren! en jullie?'
  De dichter lijkt zich te hervinden en trommelt even met zijn vingers op tafel. 'Laat ik het zo zeggen juffrouw: het woord is niet te verzadigen.'
  'Net onze Tito,' grinnikt het meisje. 'Tito was de beer bij ons op de boerderij,' legt ze dan uit. 'Voor een emmer aardappelschillen of een zeug kon je hem altijd wakker maken.'
  De dichter legt zijn hoofd in de nek, sluit de ogen en mompelt gemelijk: 'Het woord hoeft men nooit te wekken. Het woord slaapt niet. Hooguit sluimert het woord.'
  Het meisje haalt de schouders op. 'Wat ik zeg! Net onze Tito. Toen vader eens een nieuwe zeug binnenbracht, kwam Tito al dwars door het schot nog voor de zeug van het touw was.'
  Dan slaat de dichter met zijn vlakke hand op tafel. 'Het woord is eeuwig.'
  Het meisje vouwt de handen achter het hoofd. 'Tito ook. Hij liet ons een paar duizend biggen na en dan praat ik nog niet eens over zijn tijd bij de K.I.'
  Ik zie de dichter bleek wegtrekken. Het woord vindt een beer op zijn weg.
  'Iedereen koffie?' vraag ik daarom maar.
  Hij schud zijn hoofd.
  'Een gevulde koek, dan?'
  'Hou op,' fluistert de dichter. 'Hou alsjeblieft op!'
  Het meisje lacht. 'Ik lust allebei wel.'
  Als ik bij het buffet sta, zie ik de dichter zich hardnekkig in een hoekje nestelen. Alsof hij niet van plan is dat binnenkort te verlaten.

vorige
volgende