Schrijvers om de Noord

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Kees Visscher
tekening door Ger siks

Kees Visscher

Meeuw in volle vlucht

Ze zaten op het terras aan het water, de avond was lauw. 'Nog een drankje?', vroeg Alex en hij spurtte al weg, zo ongedurig als hij altijd was. Katelijne trok haar zonnehoed omlaag tegen de spiegeling van het meer dat daar lag als een gladde metalen plaat. Meteen was Alex alweer terug, hij voerde twee bokalen mee waarin kristalblauwe drank schommelde. 'Drie euro voor een halfvol glas Blue Mellow', foeterde hij. 'Afzetters, dat volk hier. Zeg, varen we nog even naar de overkant?'
  'Straks. Alex, rustig nou met dat spul.' Ze dacht: hij is alweer aangeschoten en ik dadelijk ook, moet dat nou weer? Ze liet het glas staan, kwam loom uit haar stoel overeind en keek om zich heen. Verspreid over het terras zaten groepen watersporters in mauve en citroengeel, de kleuren van het seizoen; uit het restaurant, open naar het water, deinde muziek. Paviljoen De Blauwe Stad, las ze op de gevel. De blauwe stad? En er waren masten en zeilen langs alle steigers, maar vooral was daar de uitkijktoren: een hoge witte monoliet, bekroond door twee reusachtige zilveren driehoeken die wijd uiteenweken. 'Een meeuw mevrouw.' Een man in het wit was naast haar komen staan.
  'Een meeuw', zei Katelijne.
  'Een gestyleerde meeuw in volle vlucht.' Hij volgde haar blik omhoog en lachte. 'Nou ja. Ik heb verstand van boten, niet van kunst.' Bellinga, havenmeester, zo stelde hij zich voor. 'U bent pas aangekomen?' En Alex, inmiddels ook overeind, gaf druk tekst en uitleg: uit Den Haag kwamen ze, bungalow gehuurd op de Beertahof, eigen boot meegebracht. 'Een Emax-jol', riep hij, wijzend in de richting waar het vaartuig ergens afgemeerd lag. 'Emax, duur scheepje, maar zeilt als een zonnetje meneer', zei Bellinga. 'Ik zie u nog wel', en weg was hij. Weer in haar stoel dronk Katelijne haar glas leeg en dacht: nog dertien dagen op en neer varen en in juli word ik veertig, ach god.
  Er kwam een oude man uit het paviljoen, hij droeg een ouderwets petje en een ruige blauwe trui. Een man die hier thuis hoort, vermoedde ze. Een leven lang fuiken gezet en waterwild gestroopt, en vol verhalen. Zonder op iemand acht te slaan naderde hij over het terras, een beetje krom, en liep pal voor hen langs. 'Heerlijke avond', zei Katelijne.
  De man bleef staan en beschouwde haar met bleke oeroude ogen. 'Waar bent u vandaan?' vroeg hij.
  'Van Den Haag', zei Alex.
  'Den Haag.' Hij knikte. 'Hier is het anders. Maar ik wil wel een stukje met u varen, als u dat aardig lijkt. Ga maar mee.' Meteen liep hij door, hoog in de schouders, en bijna werktuiglijk stonden ze op en volgden hem: Katelijne argwanend, Alex alweer geagiteerd, tuk op een verzetje. Over de steiger liepen ze langs rijen oranje huurbootjes, tot ze bij een verveloze houten schuit kwamen. Katelijne riep: 'Goh, nog een echte antieke roeiboot, moeten we daar in?' Daar moesten ze in. Even later zaten ze op de achterplecht en de oude man, tegenover hen, stootte af en begon de riemen gelijkmatig door het water te trekken. Zo voeren ze een kwartiertje zwijgend langs landtongen vol gelijkvormige witte huizen; uit de groene oeverbegroeiing priemden zeilen veelkleurig omhoog. 'Zeg baas, en waar gaan we nou eigenlijk naar toe h', riep Alex.
  En aldoor zweeg de oude man, totdat ze op wijd open water waren. 'Hier is het', zei hij tenslotte. Nu stuurde hij voorzichtig bij en langzaam dreven ze voorwaarts, in een rechte lijn. 'Hier is de ree van mijn boerderij. De oprit. Die volgen we nu. De bomen aan weerskanten, dat zijn linden. Die heb ik voor een jaar of vijfentwintig nog flink ingekort, dat was zo rond achtennegentig.' Ze keken naar links en naar rechts en vervolgens in het water, er was niets te zien. 'Een schier boerenspultje', zei de oude man. 'Mijn grootvader heeft het nog laten zetten. Goed, we varen er nu even omtoe.'
  De boot beschreef een wijde boog, de riemen knarsten in de dollen. 'We vaar'n er nu even omtoe', zei Alex, het accent van hun gids nabootsend. 'Maar waar omtoe? Ik zie niks, alleen water, jij Katelijn?'
  'Stil nou', fluisterde ze.
  'Krek', zei de oude man. 'Stil moet je wezen. Want dan hoor je de boerderij. Astor die blaft. De vosruin die tegen het beschot schopt. De mussen op het dak.' De boot lag nu roerloos. 'En wat u ruikt, dat is stro en stront, schier weelde. Daar links kunt u het pad naar de watermolen zien, de berm is wit van kaasbloemen. Maar u moet verder kijken.' Zijn vinger liep langs de horizon. 'Daar ziet u duizend bunder koren, tot aan de oude dijk en nog verder. De kleur van oud goud, bij lage zon. Nu is er geen wind. Maar als het waait dan golft het koren, dan aait Onzelieveheer het met zijn hand. Om even te genieten van het mooiste dat hij gemaakt heeft.' Zijn fletse ogen traanden in het witte licht. Katelijne, haar gezicht rossig onder de rode zonnehoed, keek bewegingloos in de verte. Dan de hoge stem van Alex: 'En nou maar weer terug naar de wal. Ik laat me niet langer belazeren.'
  'En we hadden schapen', zei de oude.
  'Breng ons terug', beet Alex.
  Katelijne deed haar ogen dicht en weer open en zag opnieuw niets dan water, glad en aluminiumkleurig en verbazend uitgestrekt, en de rode daken op de landtongen. De oude man roeide zwijgend terug naar het paviljoen. Op de kop van de steiger stond Bellinga, stil en in het wit. De boot legde aan en Alex en Katelijne stapten uit. 'Hest t gras bie de schure ja nog nait maaid', zei de oude man tegen Bellinga en hij griende een beetje, opeens.
  Bellinga hielp hem uitstappen. 'Kom nou maar pa', zei hij.
  Over de steiger liepen ze gevieren naar het terras, de zoon hield een hand op de rug van zijn vader. Mensen keken vanuit hun stoelen toe. 'Ha, we zijn om een boerderij toe gevaar'n maar niet heus', riep Alex jolig, hij moest het kwijt, men grinnikte om zijn verhaal. Intussen hield Katelijne de oude man nog even staande. 'Ik wil u bedanken', zei ze. Dorre woorden, ze besefte het, voor iets dat haar altijd bij zou blijven.
  'Ja', zei de oude.
  Toen voerde Bellinga hem mee naar binnen. Nu zaten ze weer in hun stoelen, Alex en Katelijne, zij aan zij als altijd, en Alex zei: 'Laten we nou iets leuks gaan doen, weet jij niet wat.' Maar Katelijne wist niets. Bellinga kwam nog even langs lopen en zei: 'Mijn verontschuldigingen.
 ' 'Ach man, het was best geinig', riep Alex.
  'Kaasbloemen', zei Katelijne half tegen zichzelf.
  'Kezebloumen mevrouw', verklaarde Bellinga. 'Dat is Gronings. Heel oude mensen spreken het nog wel eens. Kezebloumen: fluitekruid. Mag ik u iets aanbieden?
 ' Dat mocht. En Alex dronk zijn glas in n teug leeg, terwijl Katelijne uitkeek over het water. Witte kaasbloemen en koren als oud goud, wat was hier aangericht? Inmiddels hing de zon al wazig tussen de masten, de lucht werd van een transparant vaalgrijs. Hoog boven de Blauwe Stad stond de meeuw, grotesk en roerloos, haar vleugels opeens dof in het stervende licht. Nu stak er ook een wapperende wind op, begon het kil te worden? Zo vlug als het weer toch kon omslaan dacht Katelijne, hier in dit vreemde hoge noorden van Nederland, zo ver van huis.

  Verhaal op het thema 'De Blauwe Stad in 2025', geschreven op uitnodiging van het Nieuwsblad van het Noorden, 1998)

vorige
volgende