Schrijvers om de Noord

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Piet Piryns

'Niet zeuren, Korteweg!'

'Het is allemaal heel erg, maar ook weer niet zo erg.' Anton Korteweg houdt de moed erin.

Er wonen twee zielen in zijn borst: die van een ambtenaar en die van een dichter. Anton Korteweg nam onlangs, na bijna dertig jaar, afscheid als directeur van het Letterkundig Museum in Den Haag. Als dichter debuteerde hij in 1971 met Niks geen Romantic Agony en al tien bundels lang brengt hij verslag uit van wat het betekent iedere dag een dagje ouder te worden. Hij doet dat geestig en laconiek, op de manier van een romanticus die zichzelf niets wijs wil maken. Het wil hem maar aan niets ontbreken, schreef hij in een van zijn vroegere gedichten: hij heeft een gelukkig huwelijk, een mooie baan en een goeie fiets. Maar hoe maak je daar poëzie van?

Een van uw verzamelbundels gaf u als titel: 'Comfortabel ongelukkig'. Zijn dichters per definitie ontevreden?
Anton Korteweg: Ik vrees van wel. Tevreden mensen schrijven geen poëzie. Maar als je comfortabel ongelukkig bent, mag je niet mopperen natuurlijk. De meeste mensen komen daar nooit aan toe, die verkeren in armoedige omstandigheden of zijn ongelukkig tout court.

Waarom is geluk zo moeilijk te dragen?
AK: Toen ik destijds afstudeerde in de neerlandistiek heb ik mijn scriptie een motto meegegeven van de Spaanse filosoof Miguel de Unamuno: la conscience est une maladie. Ik denk dat ieder mens uiteindelijk streeft naar een vorm van onbewustheid. Ik ben romantisch genoeg om dat te geloven. Als je de motto's van mijn bundels achter elkaar zet, zul je merken dat ze een soort levensgang onder woorden brengen. Het begon met Tussen twee stilten. Daar had ik een motto van J.C. Bloem voor gekozen: Niet te verzoenen is het leven../ Teneinde is dit wellicht nog 't meest:/ Te kunnen zeggen: het is even/ Tussen twee stilten luid geweest. Een soort Predikerachtige wijsheid: er is een oneindige stilte vóór je bestaan en een oneindige stilte erna, het leven is niet meer dan een klein moment van luidheid daar tussenin. Maar mijn voorlaatste bundel Al fluitend had een motto van Friedrich Nietzsche, die zegt dat het natuurlijk niet meevalt om het met je medemensen uit te houden, maar dat is nog maar een kleinigheid, want waar het uiteindelijk op aan komt is dat je met jezelf kunt opschieten. Ik vind dat een rake uitspraak, en ik probeer er ook naar te leven.

Bent u somberder geworden met het klimmen van de jaren?
AK: Dat denk ik niet. Ik sta iedere ochtend op met de gedachte: we moeten het doen met wat we hebben, niet zeuren Korteweg! Als je ouder wordt, wordt alles vanzelf minder. Op een gegeven moment daalt de fontein, om het zo maar eens te zeggen. Maar dat is geen reden om je te gaan beklagen. Ik ben steeds meer een hekel gaan krijgen aan chagrijnige mensen. Je zou het misschien aan mijn gedichten niet zeggen, maar in de praktijk ben ik een opgewekt type.

Waar situeert u zichzelf als dichter?
AK: Na mijn debuut ben ik al heel gauw ingedeeld bij de neoromantici - een stroming die zijn wortels overigens meer in Vlaanderen heeft dan in Nederland, met Luuk Gruwez als belangrijkste exponent. Zelf heb ik altijd gevonden dat ik, zeker in mijn vroege gedichten, exact tussen Komrij en Kopland in stond. Ik had dus eigenlijk, om alfabetische redenen, beter Konteweg kunnen heten - dan was dat ook nog in de boekenkast tot uiting gekomen. Ik denk wel dat ik me later van Komrij verwijderd heb. De ironie die ik, zeker in de eerste bundels, met hem deelde, is minder geworden naarmate ik ouder werd. Ik heb het idee dat ik nu dichter bij Kopland sta.

Is poëzie voor u een manier van denken?
AK: Een manier van leven, zou ik zeggen. Dichten is bij mij een proces dat zichzelf in gang houdt. Ik ben in mijn poëzie helemaal geen systemenbouwer of abstracte denker over de dood en de mysteriën des levens. Ik moet het hebben van wat ik meemaak. Al veertig jaar lang maak ik iedere dag aantekeningen en op een gegeven moment klonteren die dan een beetje samen tot een gedicht. Ik was bijvoorbeeld laatst bij de radioloog om foto's te laten maken van mijn kapotte knieën. 'Voor röntgenfoto's van het bekken', las ik in het hokje waar ik op mijn beurt moest wachten, 'is een zaadportemonnee beschikbaar.' Daar kun je natuurlijk van alles bij fantaseren. Zo'n woord schrijf ik dan op, en vroeg of laat komt het in een versje terecht.

Je mag een dichter nooit verwarren met het lyrische 'ik' uit zijn gedichten. Maar in uw geval liggen ze wel heel dicht bij elkaar. Uw poëzie is onmiskenbaar autobiografisch.
AK: Het is poëzie die dicht bij het leven staat, dat klopt. Ik verzin zelden iets. Maar het is niet omdat iets 'echt gebeurd' is, dat je er geen draai aan geeft. Je werkt toch altijd naar een soort effect toe, je verhevigt het.

In werkelijkheid is uw vrouw veel aardiger dan in uw gedichten?
AK: Dat zullen de meeste mensen ongetwijfeld vinden, en het is ook zo natuurlijk. Herman de Coninck vroeg me ooit, na het lezen van een van mijn bundels, of ik nog wel gelukkig getrouwd was. Mensen willen ook altijd weten wat mijn vrouw ervan vindt dat ik zo over haar schrijf. Op dat soort vragen geef ik nooit antwoord. Ik vind dat ik in mijn gedichten al openhartig genoeg ben om het daar verder niet meer over te moeten hebben.

Leidt het voorlezen van gedichten niet tot effectbejag?
AK: Voor het schrijven maakt het niet uit. Ik denk nooit: Nu ga ik een een gedicht schrijven dat het goed doet op het podium. Zoiets blijkt pas achteraf. Maar al die poëzieavondjes kunnen er wel toe leiden dat mensen ervan uitgaan dat een gedicht vooral niet te moeilijk mag zijn en een pointe moet hebben. Dat dreigt een beetje de norm te worden, terwijl er natuurlijk prachtige poëzie is die zich absoluut niet leent tot voorlezen en daardoor misschien onderbelicht blijft.

Uw gedichten duiken vaak op in overlijdensadvertenties. Is dat erg?
AK: Absoluut niet. Dan weet ik in ieder geval zeker dat sommige mensen er toch iets aan hebben. Ik bevind me overigens in goed gezelschap: Kopland, Rawie, Achterberg, Gerhardt, Roland Holst - allemaal worden ze vaak geciteerd op bidprentjes. Wat is er op tegen dat mensen troost putten uit poëzie?

Welk gedicht wilt u graag op uw overlijdensadvertentie zien?
AK: Misschien dat prachtige herfstgedicht van Rilke dat begint met Die Blätter fallen, fallen wie von weit en eindigd met: Und doch ist Einer, welcher dieses Fallen/ unendlich sanft in seinen Händen hält. Dat gaat wat mij betreft niet over God, maar over de gedachte dat alles misgaat, maar uiteindelijk toch in één grote zachte hand terecht komt. Ik zou willen dat ik dat kon geloven.

vorige
volgende

 

   ·