Schrijvers om de Noord

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Frank Westerman

De zondvloedmens

Op een dag waarop mijn dochter niet naar de crčche ging, nam ik haar mee naar het Teylers-museum in Haarlem.
  “Kom, we gaan naar het schelpenmuseum.” Het weer was mooi genoeg om een treinhalte extra te blijven zitten en naar het strand te gaan – wat zou neerkomen op schelpen verzamelen.
  “Ze hebben er ook hele bijzondere stenen. Fossielen heten die.”
  Vera, bijna drieëneenhalf, kauwde even op de aangereikte woorden en vroeg toen: “Wat is dat, fossielen?”
  We liepen van het station langs het Spaarne met uitzicht op de koepelgevangenis, Vera hoog op mijn schouders. “Niet je handjes voor mijn ogen”, had ik al drie keer geroepen, waarna ze ze gierend van de lach terugschoof onder mijn kin, als het riempje van een helm.
  Ik kwam voor één bepaald fossiel dat zich al twee eeuwen in het Teylers bevond. Wereldwijd stond het stuk bekend onder de naam homo diluvii testis/de mens die getuige was van de zondvloed – in 1725 ontdekt door de Zwitser Johann Jacob Scheuchzer.
  Een fossiel is een afdruk, hoorde ik mezelf zeggen, van een plantje of een beestje op een steen. “Zoiets als van je voet op het zand.”
  Dit schreeuwde om nieuwe vragen, maar voorlopig bleef het een poosje stil daarboven.
  De ‘zondvloedmens’ was strikt genomen niet eens een afdruk; het ging om een versteend geraamte. Zijn naamgever en eerste beschrijver was Johann Jacob Scheuchzer, geneesheer en natuurvorser te Zürich.
  Op de vraag ‘wat zijn fossielen?’ zou Scheuchzer een pasklaar antwoord hebben gegeven: tekenen van Gods almacht. Of, feitelijker: in rots gegrifte overblijfselen van de zondvloed. Hoe anders viel de aanwezigheid van schelpen, ammonieten en zoutwaterkreeften in de wanden van de Jungfrau of de Matterhorn te verklaren?
  De enige lastigheid was dat er nooit eens een versteend mensenskelet in een rotswand werd gevonden. Een theologische verklaring luidde dat God de zondaars zelfs geen fossiele overleving had gegund, maar Scheuchzer nam daar geen genoegen mee. Hij zocht en vond uiteindelijk – in een leisteengroeve bij de Bodensee – zijn homo diluvii testis. Bij wijze van toelichting schreef Scheuchzer: Het treurige beendergeraamte van een oude zondaar, alzo in de zondvloed verdronken.

Vera en ik waren het museum binnengegaan en over krakend parket van de Eerste naar de Tweede Fossielenzaal gelopen. Ik had haar opgetild om een reuzenammoniet te bekijken. De vitrines lagen vol schelpen en kristallen, maar haar aandacht ging vooral uit naar een versteende moerasschildpad. Mijn dochter hield van schildpadden, ze deed graag na hoe ze kropen – wandelend op haar ellebogen met haar hoofd dicht bij de grond.
  “Is die nu dood?”
  Ik kon niet volstaan met het voetafdrukverhaal. Ja, zei ik, maar hij is vast honderd jaar geworden. Honderd, wist Vera, was de leeftijd die opa’s en oma’s bereikten.
  De volgende vraag ging over de hemel: of ook de dieren daar naar toe gingen? Nog maar kort geleden hadden we de hemel geďntroduceerd, toch maar, nadat ze opgewonden had verteld dat de opa van een vriendinnetje daar naar toe was gegaan.
  De dieren, besloot ik, konden daar ook nog wel bij.
  Linksachter in de Tweede Fossielenzaal vond ik Scheuchzers zondvloedmens. Inventarisstuk 8432 was een zeegroene steen met een gelig gebinte – een wervelkolom, overgaand in een schedel met enorme oogkasgaten en hulpeloos bungelende armpjes.
  Vindplaats: Oeningen.
  Aanschaf: Niet zonder veel moeilijkheden aangekocht voor 14 Louis d’or door prof. Van Marum in 1802.

  Vera was doorgelopen naar de Instrumentenzaal, maar ze kwam terug en wilde weten waar ik naar keek.
  “Een salamander.” Ik nam haar op mijn heup en zei: “Kijk, zie je die twee voorpootjes, daar kroop hij mee over de grond.”
  Bijna negentig jaar, om precies te zijn tot 1811, had de zondvloedmens als ‘mens’ voortgeleefd.Na Scheuchzers dood was er voor het eerst wat voorzichtige twijfel gerezen. Leek dit skelet niet toch meer op dat van een meerval of een hagedis? Uiteindelijk was het de ontleedkundige Georges Cuvier die de ‘diluviaalmensch’ publiekelijk zou ontmaskeren. Dit Franse genie, een minstens zo vrome protestant als Scheuchzer, had al eens tijdens een openbaar college in Parijs aangetoond dat de harige ‘olifanten’ uit het ijs van de Siberische toendra geen door de zondvloed weggespoelde olifanten waren, maar leden van een aparte, uitgestorven soort – de mammoet. Bij een bezoek aan het Teylers in Haarlem evenaarde hij deze prestatie door het fossiel van de zondvloedmens verder uit te beitelen. Hij had een tekening van een salamanderskelet meegebracht en voorspelde de omstanders op welke plek er voorpootjes tevoorschijn zouden komen.
  Dat gebeurde exact als voorzegd, en sindsdien kon je in de lege oogkassen van dit fossiel de religieuze verblinding aflezen van geleerden als Johann Jacob Scheuchzer – een man van de wetenschap die door zijn geloof in God een amfibie voor een mens aanzag.


Fragment uit Ararat,
Uitgeverij Atlas, januari 2007

vorige
volgende